(<-- terug)
Hier ligt ook de bron van Manneke's voorliefde voor het citaat dat in zijn werken op tal van manieren opduikt. Al luisterend kom je al dan niet 'verkleed' en meestal geïsoleerd van z'n omgeving plotseling Bach tegen, of een Gregoriaanse Introitus. Soms citeert Manneke ook technieken, zoals de valeur ajoutée van Messiaen.
Bovendien delen Stravinsky en Manneke hun christelijke achtergrond en hun opvatting dat muziek in wezen een ritueel is.
Een spirituele zoektocht naar het volmaakte. In Manneke's opvatting van muziek als ritueel past ook zijn opvatting van het ritme als onregelmatige regelmatigheid. Geen enkele eenheid is exact gelijk aan de vorige of volgende, maar toch ervaar je de regelmaat.
Natuurlijk heeft Manneke zich grondig bezig gehouden met twaalftoonstechniek en het serialisme, technieken die het twintigste-eeuws denken over muziek nu eenmaal diepgaand hebben bepaald. Maar meestal hanteert hij - al naar gelang de opzet van de compositie - heel andere uitgangspunten: contrasten, modaliteit, bourdontonen, boventoonreeksen, kerktoonaarden, modale diatoniek. In veel muziek van Manneke is op een of andere manier en zekere vorm van 'grondtonigheid' hoorbaar. Ooit zei hij hierover in een interview met Maarten Brandt:

Binnen mijn opvatting van de diatoniek is er per definitie altijd sprake van een zekere grondtonigheid. Het is natuurlijk een kwestie van terminologie. Ook in vakkringen is men daarover nog allerminst uitgepraat. 'Atonaal' en 'tonaal' zijn hachelijke woorden. Misschien kun je het nog het beste zo stellen: het klassieke harmonische systeem van Rameau met z'n dominant-tonica-relatie is slechts een van de vele facetten van de tonaliteit. De strikte atonaliteit, om dat woord dan toch maar even te gebruiken, is iets waar ik me niet mee verwant voel. Ik geloof niet in atonaliteit. (Componeren is het tot uitdrukking brengen van een religieus besef, Daan Manneke in gesprek met Maarten Brandt, Mens en melodie, september 1987, p. 279 e.v.)

In veel werken van Manneke speelt de intervalstructuur een belangrijke rol. Geliefde intervallen zijn de kleine secunde en de reine kwart. Nauw verbonden met deze intervalstructuur is het gebruik van sequensen en in zekere zin ook het variabel ostinato.
Misschien wel het belangrijkste kenmerk van Manneke's muziek is zijn behoefte aan contrasten. Twee of meer werelden van klanken, 'karakters' worden in blokken naast elkaar gezet om in de loop van het stuk elkaar te naderen, af te stoten of eventueel een osmose met elkaar aan te gaan. Veel van Manneke's werk is geschreven in een blokkenstructuur.
Typerend voor deze, in wezen dramatische manier van componeren zijn een aantal stukken Archipel voor diverse bezettingen. De titel is een hommage aan Zeeland, een archipel, waarin kleine zelfstandige gemeenschappen naast elkaar leven en elkaar wederzijds beïnvloeden. Een mooi voorbeeld is Archipel II voor lage strijkers uit 1985.
Nadrukkelijk betrekt Manneke bij de muzikale uitwerking van deze tegenstellingen het begrip 'ruimte' in alle betekenissen van het woord. Ook in dit compositorisch uitwerken van de ruimte toont Manneke zich een waardig leerling van Ton de Leeuw. In een werk als Topos (1995) zijn, met een plattegrondje van de kerk waarvoor het werk geschreven werd ook regie- aanwijzingen voor de zangers opgenomen. De muzikale ruimte kan welhaast een doolhof worden, waarin de luisteraar zich letterlijk bewegend een weg moet zoeken (Babel, 1985), maar ook ineenschrompelen tot de ambitus van één enkele toon (Vice Versa, 1979, dat zich vrijwel geheel beperkt tot de toon D). In de diverse werken Archipel staat het begrip ruimte symbool voor de ruimtelijkheid van het eilandenrijk dat Zeeland heet.

Last but not least fungeert het begrip ruimte bij Daan Manneke ook als religieus symbool: het overbruggen van de afstand tussen het materiële en het spirituële, religieuze. In dat opzicht maakt Manneke ook geen onderscheid tussen 'wereldlijke' en 'religieuze' muziek: de scheidslijn tussen beide is constant in beweging en vloeibaar.
Wat veraf lijkt, kan dichtbij zijn en omgekeerd. Of, in het motto van Plenum (1989): Arrivée de toujours, qui t'en iras partout.
Een aparte plaats in zijn oeuvre nemen de orgelwerken - met recht een oeuvre binnen een oeuvre -in. Als geen ander weet Daan Manneke aan juist dit, zijn eigen instrument de meest schitterende klanken te ontlokken. De wind (en in het Hebreeuws en het Grieks zijn de woorden voor geest en wind identiek) die door de pijpen blaast brengt ze tot leven. Opvallend in de meeste van deze werken een toenemend streven naar monumentaliteit en de dikwijls zeer hoge eisen die aan de uitvoerder worden gesteld. Een bijzonder orgelwerk van Manneke is Pneoo (1979). De titel is te vertalen met blazen, ademen, maar ook met inblazen, inspireren. Uitgangspunt was hier het bamboe-windorgel op de boulevard van Vlissingen. Zoals Manneke ook dagen luisterde naar ‘het ruischen van 't ranke riet' (Gezelle) voor zijn strijkkwartet Arc (1994). De golvende bewegingen zijn misschien wel het meest kenmerkend voor zijn muziek. In het verlengde van dit alles liggen zijn talloze werken waarin de blokfluit een belangrijke rol speelt, o.a. Archipel I (1985) en Ordre (1976).
Daan Manneke poogt in diverse werken bovendien ook andere kunstvormen onder te brengen in zijn muzikale conceptie: de beeldende kunsten, architectuur, dans. Visuele beleving gaat nadrukkelijk samen met auditieve beleving, het in bezit nemen van de ruimte. Daan Manneke schrijft bewust 'democratisch', niet vanuit een ivoren toren. In zijn grootschalige, meest gewaagde werk tot nu toe, Babel, voor zes orkesten (1985, herz. 1997) kan het publiek zijn eigen uitvoering mee-componeren.
Andere, hier nog niet genoemde belangrijke werken. Le Pavillon (1987) op teksten van Arthur Rimbaud, een prachtige, uiterst verfijnde en kleurrijke compositie, waarin de kerktoonaarden een welhaast bedwelmende klankpracht evoceren. Threni (1989), de klaagliederen van Jeremia, met een titel die, als Manneke's Symphonies of winds uit 1996/1997, expliciet verwijst naar Stravinsky. En zijn tot nu toe misschien wel meest persoonlijke werk Plenum (1989), over de volheid van het aardse leven, die we pas ervaren in het aanvaarden van de dood. Hier vinden we de componist Manneke in al zijn aspecten: het sacrale, de stilte, de dans, de herinnering aan het verleden, het Gregoriaans, de psalmen, Verlaine, Rimbaud, de dubbelkorigheid, de kleuren, de rust. Le ciel est, par-dessus le toit, si bleu, si calme. Kruiningen, Manneke's Combray, uitvergroot tot mythische proporties en geprojecteerd op het leven van de mens. Dit alles precies, beheerst, maar met grote gevoeligheid en directheid genoteerd in een strenge, maar nooit overheersend aanwezige vorm.
Overeenkomst in alle werken: de enorme spiritualiteit die eruit spreekt. Het vermogen om zelfs binnen een streng conceptuele opzet telkens weer creatief en onvoorspelbaar te zijn. Of, zoals Daan Manneke ooit zei: Al het materiaal kan overal en zomaar te voorschijn komen.
Manneke's reis door de muzikale ruimte is nog lang niet voltooid. Arrivée de toujours, qui t'en iras partout.
Gerard van der Leeuw

(<-- terug)