Nieuwe CD: Car ta voix est douce

In het Oude Testament van de Bijbel - min of meer samenvallend met de Hebreeuwse Bijbel Tenach- staan onder meer drie grote liederencycli.
Het zijn de Psalmen, het Hooglied en de Klaagliederen van Jeremia.
Deze voor-christelijke poëzie is sedert eeuwen tot op de dag van vandaag een bron van inspiratie voor kunstenaars uit tal van disciplines.
Werelderfgoed, gekenmerkt door een universele uitstraling met een unieke, tijdloze zeggingskracht.
 
De titel van deze CD - Car ta voix est douce - is ontleend aan een tekst uit het derde motet van mijn gelijknamige Hooglied-compositie. 

[Deze compositie voor koor en accordeon werd in 2015 geschreven voor de Domcantorij en dirigent Remco de Graas en is opgedragen aan mijn vrouw Ina.]
 
De oorspronkelijke titel van het Bijbelboek Hooglied luidt in het Hebreeuws Shir-HaShirim; Lied der Liederen.
Deze benaming is in christelijke vertalingen overgenomen: Canticum Canticorum, Cantique des Cantiques, Song of Songs, Hohes Lied.
Deze wonderbaarlijke, verfijnde, profane liefdespoëzie kreeg in de Joodse traditie al vroeg een mystiek-spirituele dimensie.
 
In 1962 schreef ik mijn eerste psalm-compositie,  het motet ‘Je lève mes yeux sur les montagnes’: Psaume 121.
In de volgende decennia heb ik regelmatig nieuwe psalmcomposities gecomponeerd.
In opdracht  van het kamerkoor Amsemble en dirigent-zanger Benjamin Bakker voegde ik in 2018 een nieuwe bijdrage toe aan mijn psalmen-oeuvre:  Psaume 19.
Deze uitbundige Psalm is een lofzang op de wijsheid van de Schepper en de glorie van de Natuur.
De  gebruikte metaforen zijn van een bedwelmende schoonheid en verbeeldingskracht.
 
Tijdens een koorrepetitie hoorde ik Benjamin Bakker eens een frase prachtig en uitnodigend voorzingen.
Ik zei tegen het koor dat ze die frase eigenlijk maar op die manier moesten nazingen.
Die opmerking bleef bij mij ‘doorzingen’ en ik stelde naderhand aan Benjamin voor een nieuwe psalm voor koor én bariton te schrijven.
En zo ontstond Psaume XIX: ‘Voor de Opperzangmeester. Een psalm van David.’
Van harte draag ik deze compositie op aan het kamerkoor Amsemble en zijn ‘Opperzangmeester’. 
 
Sedert enkele jaren werk ik samen met de tovenaar-accordeonspeler Vincent van Amsterdam.
Hij bewerkte - en speelde - op mijn verzoek twee stukken voor zijn instrument, Trois Petites Symphonies [1967] en Tombeau pour Ton de Leeuw [1996]
Deze werken zijn oorspronkelijk geschreven voor respectievelijk orgel en violoncello [gamba].
Op de CD vervult hij naast deze solistische bijdragen tevens de rol van een ‘concertante’ continuo-speler.
 
Aansluitend op het genoemde Tombeau pour Ton de Leeuw [1926-1996] klinkt het madrigaal ‘Egidius waer bestu bleven’, oorspronkelijk geschreven voor het Egidiuskwartet.
De uitvoering op deze CD is de vijfstemmige versie voor gemengd koor gearrangeerd door Rens Tienstra met een colla parte accordeon-begeleiding. 
 
Mijn hele oeuvre wordt eigenlijk bepaald door het fenomeen  ruimte.
Behalve de fysieke ruimte, de plaats waar een muziekstuk klinkt, is mijn werk ook ruimtelijk qua inhoud.
Ik noem de veelsoortige, niet consistente vormen, verschillende muzikale talen, archipel-achtige eilandvorming en hybride karakters.
Metaforen die mij inspireren zijn bijvoorbeeld ruw-glad, vertoeven, naderen-verdwijnen, uiteenvallen-bundelen, verloop van tijd.
 
De complete CD kan beluisterd worden als zo’n archipel-vorm waarin de eilanden zichzelf zijn en hun eigen leven leiden.
Anderzijds kunnen ze elkaar beïnvloeden zodat er mengvormen ontstaan met nieuwe eigenschappen.
 
De gehele CD kan als een doorlopend ‘archipel-concert’ worden beluisterd.
Presentatie-concerten op 7, 14 en 15 april 2018, zie agenda